Versoepeld urencriterium tot 1 juli 2021

IB-ondernemers kunnen aanspraak maken op verschillende ondernemersfaciliteiten. Voor toepassing van sommige faciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek, moet aan het zogenoemde urencriterium worden voldaan. Aan dit urencriterium wordt voldaan als de ondernemer tenminste 1.225 uren per kalenderjaar besteedt aan zijn onderneming. Om te voorkomen dat ondernemers hun recht op deze faciliteiten verliezen, werden vorig jaar ondernemers in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 geacht
24 uren per week aan hun onderneming te hebben besteed. Voor 2021 geldt dezelfde versoepeling voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021.

Seizoensgebonden ondernemers
Voor seizoensgebonden ondernemers is de versoepeling niet effectief als de piek van hun werkzaamheden in de periode 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 valt. Voor deze ondernemers is – net als in 2020 – een aanvullende regeling getroffen. Ondernemers worden daarbij geacht in de periode 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 evenveel uren aan de onderneming te hebben besteed als in de periode 1 januari tot en met 30 juni 2019. De ondernemer kan met behulp van de administratie van 2019 achterhalen hoeveel uren hij of zij in het eerste halfjaar van dat jaar aan de onderneming heeft besteed en zo ook beoordelen of hij/zij in 2021 aan het urencriterium voldoet.

Geen versoepeld urencriterium met terugwerkende voor het laatste kwartaal 2020
Het urencriterium wordt niet met terugwerkende kracht versoepeld in het laatste kwartaal van 2020. Dit was begin april jl. het duidelijke antwoord van staatssecretaris Vijlbrief op Kamervragen hierover. De reden waarom de versoepeling niet gold in deze periode en wel in de periode 1 maart tot en met 30 september 2020 en 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 is in de omstandigheid dat ondernemers die zonder de coronacrisis op jaarbasis niet voldoen aan het urencriterium – en dus geen recht hebben op de ondernemersfaciliteiten – door de versoepeling in het laatste kwartaal daarvoor toch in aanmerking zouden komen. Dat vindt het kabinet ongewenst.